Leo Wubbolt | Achtergrondartikelen | 14 april 2010
Reacties(2)
Rolling Stones
Ondanks het ontbreken van nieuw werk is het jaar 2009 een gedenkwaardig jaar gebleken voor één van de langst bestaande bands uit de popmuziek, de Rolling Stones. De meeste publiciteit bracht de verandering van platenmaatschappij; van Virgin [ EMI] naar Universal. Deze overstap zorgde voor het digitaal oppoetsen van de Stones catalogus van na 1970, vanaf het moment dat de band de distributie in eigen hand nam met de oprichting van Rolling Stones Records. Andere opvallende nieuwtjes van de laatste jaren halen slechts de roddelpagina’s van de pers. Ze gaan voornamelijk over de beide gitaristen; de oudste valt uit een kokosboom en het jonkie van de band ruilt zijn vrouw in voor een Russisch fotomodelletje en probeert en passant zijn excessieve drankgebruik in te tomen. Muzikaal heeft de band al jaren niets meer te bieden. Voor het betere werk moeten we ver terug in de geschiedenis.
Een geschiedenis die begint met een toevallige ontmoeting tussen Keith Richard en Mick Jagger op een treinstation, ergens in London, begin jaren zestig. Het gesprek gaat al gauw over het stapeltje import lp’s dat Mick onder de arm heeft. Blues is het magische woord; de Engelse incrowd ontdekt de Amerikaanse blues en binnen een aantal jaren zal ieder beginnend popgroepje blues nummers op hun repertoire hebben staan van hun Amerikaanse voorbeelden.
Grote initiator in dit gebeuren is Alexis Korner, die met zijn Skiffle Group avond aan avond Londense zaaltjes vult en zo de bakermat vormt voor Engels Rhythm & Blues talent. Het is daar dat Keith Richard en Mick Jagger het tweetal Brian Jones en Ian Stewart tegenkomen. Het besluit tot de oprichting van een band is snel gemaakt. Volgens bassist Bill Wyman zijn Jones en Stewart de oprichters. Wyman zelf mag meedoen omdat hij een bas en een versterker heeft. Charlie Watts drumt al bij Alexis Korner en aarzelt het langst over de overstap naar het zootje ongeregeld dat zich naar een compositie van Muddy Waters The Silver Rollin’ Stones noemt.
In deze 6-mans bezetting doen The Stones wat een beginnende band moet doen om goed te worden. Spelen, spelen en nog eens spelen, avond aan avond totdat iedere zaal in en rondom Londen is bezocht. De eerste plaatopnamen worden gemaakt in de Clayton studio’s in september 1962, maar die zijn nog niet goed genoeg voor een platencontract ("The singer sounds too colored"). De opnames van 10 mei 1963 leiden echter tot een heus platencontract bij het oerconservatieve Britse label Decca. Come On wordt eerst door de hoge heren afgekeurd. In de herkansing neemt de band op 16 mei het nummer opnieuw op. Toch zijn op de eerste single de takes te horen die op 10 mei zijn opgenomen. I Want To Be Loved siert de b-kant; beide nummers zijn covers, geschreven door Chuck Berry [a] en Willy Dixon [b].
Als in april 1964 de eerste LP uitkomt in Engeland, zijn de negen van de twaalf nummers nog steeds covers. Onder de naam Nanker/ Phelge verschijnen schoorvoetend de eerste eigen schrijfsels. Het is tevens de start voor een ondoorzichtige release politiek. Amerikanen willen graag hitsingles op hun LP’s terug zien; in Engeland geldt dat minder.
Tot de oprichting van Rolling Stones Records in 1970 zullen het Engelse DECCA en het Amerikaanse LONDON ieder hun release politiek volgen. Het leidt tot veel verwarring bij het platenkopend publiek; een verwarring die tot ver in het CD tijdperk zal voortduren.
De eerste LP is een bestseller in Engeland en staat qua verkopen tussen de singles tijdenlang in de hitparade. De hoes laat een donkere foto zien van vijf jonge mannen, gezien en profil, zonder titel of verwijzing. Dat was nog nooit vertoond in Engeland. Daar waar de Beatles nog in keurig uniform op de hoezen poseren, doen de Stones er alles aan om te voldoen aan het ruige imago. Dat ruige imago was bedacht door manager Andrew Loog Oldham: ‘They’re not a Group; they’re a way of life’. Ondertussen had Oldham pianist Ian Stewart te verstaan gegeven, dat hij niet langer lid van de band was. Stewart werd roadie, maar pingelde jarenlang vrolijk mee op vrijwel iedere plaat van de Stones.
In Amerika bleef de aandacht voor de Stones niet ongemerkt, maar de eerste tournee was desondanks een teleurstelling. Op 2 juni 1964 treden de Stones voor het eerst op in een lokale New Yorkse TV show. Not Fade Away en I Just Want To Make Love To You worden beiden gespeeld, maar niet live. Not Fade Away is de US hit op dat moment en staat dan ook op de Amerikaanse versie van de eerste LP, genaamd England’s Newest Hitmakers. Het eerste nationwide optreden van de band vond plaats op 13 juni 1964 in het programma Hollywood Parade, waarin gastheer Dean Martin de band belachelijk maakt met grapjes over hun haardracht en hygiëne.
In Engeland ontving de groep gelukkig meer respect en de hits bleven komen. De nummers Not Fade Away, It’s All Over Now; de Five By Five EP en Little Red Rooster werden uitgebracht in Engeland; terwijl in de Verenigde Staten Tell Me; Time Is On My Side en Heart Of Stone de single keuzes waren. Voordat de Groot-Brittanië de tweede LP uitkwam, zag in de Amerika de plaat 12 X 5 al het licht. Grote verschillen in nummer keuzes, maar beide hoezen hebben de close-up foto van vijf met acne geteisterde hoofden. Op 4 juni 1965 verschijnt in Amerika de single die hen voor het eerst daar een nummer 1 notering oplevert: (I Can’t Get No) Satisfaction. Het (dan al) puriteinse Amerika schrikt van de titel en de B-kant ontkomt niet aan het knipwerk van de censuur. ‘I have two clercks…I break my ass every day’ wordt uit ‘The Under Assistant West Coast Promotion Man’ geknipt. In augustus dat jaar komt de single in het Britse Rijk uit met de onschuldige B-kant The Spider And The Fly en daar kan iedereen mee leven.
Het thema in Satisfaction is dat van de ontevreden TV kijker, die zich de reclame met wasmiddelen voor witte overhemden moet laten welgevallen. Het is de scherpe visie van Jagger & Co op de consumptiemaatschappij. De dodelijk monotone gitaarrif blijft in je hoofd denderen als een voortrazende goederentrein met 60 wagons.
1965 bracht verder Now! op LONDON en Out Of Our Heads. De laatste kwam uit op beide continenten, hetzij met verschillende samenstellingen. Voordat in 1966 Aftermath uitkwam, was er in de US al weer een andere LP verschenen. Het was het onevenwichtige December’s Children, maar wel met de ballad As Tears Go By en de tweede US nummer één hit voor de Stones Get Off Of my cloud.
Voor het eerst werden de hits verzameld op Big Hits (High Tide And Green Grass) ; ook weer in een Europese en Amerikaanse samenstelling. Aftermath en opvolger Between The Buttons bevestigen voorgoed de schrijversreputatie van het duo Jagger/ Richard. Ook is dan al duidelijk dat de rol van Jones als songschrijver marginaal is. Zijn kwaliteiten liggen voornamelijk in het kiezen van de meest exotische instrumenten, die in de loop van de komende jaren met plezier gebruikt worden.
Live optredens van de band, vooral in Engeland, resulteerden regelmatig in rellen en oproer. Optredens duurden vaak niet langer dan 15 minuten, omdat dan de zaal al zowat afgebroken was door het uitzinnige publiek. Het eerste optreden van de Stones in Nederland (8 augustus 1964) was daarin geen uitzondering. Politie te paard moest er in het Kurhaus te Scheveningen aan te pas komen om het publiek in te tomen. Jarenlang sprak Bill Wyman nog met verbijstering over het voorval; paarden in een deftige zaal met kroonluchters en pluche stoelen en overspannen agenten, die met wapenstokken op het uitzinnige publiek in meppen. Jos Brink doet de podiumpresentatie en kondigt de artiesten uit het voorprogramma aan: Trix & the Paramounts, André van Duin, Ritchie Clark & the Ricochets, Telstars en de Fouryo’s. Het feest kost fl 3,50 en doet organisator Paul Acket verzuchten dat dit de eerste en de laatste keer is dat hij de Stones haalt. Naast de rellen bij de concerten haalt de band ook op andere manier het nieuws. De groep ontdekt genotmiddelen en met name Jagger, Richard en Jones worden het middelpunt van een schimmig kat-en-muis spel dat de Engelse Justitie speelt. Er moet een redactioneel artikel in het gezaghebbende The Times aan te pas komen om de heksenjacht op bandleden te stoppen.
The Who nemen als single de Stones composities The Last Time en Under My Thumb op en doneren de opbrengst aan de proceskosten van het geplaagde trio. Bandlid Brian Jones lijkt de meeste schade te hebben opgelopen. ‘Borderliner’ zou het etiket kunnen zijn , dat anno 2009 op hem geplakt zou kunnen worden. Zijn ongecontroleerd drug- en drankgebruik en zijn woede-uitbarstingen zorgden ervoor dat zijn rol als volwaardig lid langzamerhand uitgespeeld raakte. Het feit dat Keith Richard Jones’ vriendinnetje Anita Pallenberg inpikt draagt ook niet bij tot de verhoudingen.
Ontslagen uit de cel brengt de band in augustus 1967 de single We Love You / Dandelion uit en op de A-kant is het geluid van rammelende sleutels en dichtslaande celdeuren te horen. De single is de voorbode van de LP Their Satanic Majesties Request; de plaat is een grote acid-trip en wordt gemengd ontvangen. Critici vinden de plaat een nabootsing van de eerder verschenen Sgt. Pepper Lonely Hearts Club Band. De single staat niet op de in een wonderlijke klaphoes gestoken LP. In de 3D afbeelding die de voorkant siert, zijn na enig zoeken de hoofden van de vier collega Beatles te vinden. Het is het eerste album dat de band opneemt zonder Andrew Loog Oldham; hij schuift zelf de groep terzijde en begint het boeiende platenlabel Immediate.
Twee singles geven in 1968 de terugkeer aan naar de muziek die de Stones zo typerend maakt; rommelige garagerock met een dwingende drumpartij van (oorspronkelijk) jazz drummer Charlie Watts. Jumping Jack Flash verschijnt wereldwijd en wordt een grote hit. Het zijn roerige tijden in Europa en de Stones betonen hun maatschappelijke betrokkenheid met de single Street Fighting Man, met een vuige, rudimentaire versie van de song, die later niet op de LP terug te vinden is. Twee tegen elkaar opbotsende akoustische gitaren, versterkt en overstuurd geven het nummer een magistraal intro. Op de vraag van journalisten of de band met het liedje een revolutie zou kunnen ontketenen antwoordde Jagger: ‘I wish we could!’ Deze single komt niet uit in Engeland, maar wel op het Europese vasteland en in de US.
Het Amerikaanse fotohoesje dat een politieman laat zien die een demonstrant in elkaar slaat, verdwijnt na twee dagen uit de schappen van de winkels en wordt daarmee één van de meest gezochte Stones items. De schaarse keren dat het op een veiling wordt aangeboden ‘doet’ het $10.00 tot $15.000 en is de Holy Grail voor Stones verzamelaars. De rel rond de nieuwe plaat gaat dit keer over de hoes, die in de ogen van de Decca bazen te controversieel geacht wordt. De foto van een bekladde muur achter een toiletpot is bij de release van Beggars Banquet vervangen door een roomwitte cover met alleen tekst. Het maakt er de relatie van de band met Decca niet beter op.
Samen met The Who; Jethro Tull, Tai Mahal en gasten als Eric Clapton en John Lennon nemen de Stones in december 1968 Rock & Roll Circus op in een soort circustent. Het wordt gefilmd en goed is te zijn de deplorabele staat waarin gitarist Brian Jones verkeert. De tamboerijn is vrijwel het enige instrument dat hij mag vasthouden. In 1969 is het duidelijk dat de band van hem af wil. Hij wordt ontslagen en opgevolgd door de jonge Mick Taylor, die wordt weggeplukt bij John Mayall’s Bluesbreakers. Een stylist, deze Taylor en Keith Richard geeft hoog over hem op. Veel Stones liefhebbers beschouwen zijn periode bij de band tot één van de beste uit de muzikale geschiedenis van de groep. Veertien dagen na zijn ontslag sterft Jones in zijn zwembad; verdronken? Vermoord? De dood van een begaafde rock artiest zal altijd in nevelen gehuld zal blijven. De begrafenis wordt niet bijgewoond door Mick Jagger, die in Australië zit voor de filmopnames van Ned Kelly.
Op 4 juli geeft de band een concert in Hyde Park, Londen en presenteert haar nieuwe gitarist. Honky Tonk Women is de eerste single waar zijn vloeiende spel op te horen is. Op Let It Bleed (1969) zijn zowel Jones en Taylor van de partij, maar op de live plaat Get Yer Ya-Ya’s Out (1970) is het Taylor die excelleert.
De einde van de jaren 60 worden pijnlijk onderstreept door de gebeurtenissen tijdens het gratis optreden van de Stones op de Altamont Speedway, dat rampzalig verloopt en waar een bezoeker door een lid van de ingehuurde bewakingsdienst dood gestoken wordt. De band krijgt veel kritiek voor het inhuren van de Hells Angels; op de confronterende documentaire Gimme Shelter van de gebroeders Mayles is een vertwijfelde Jagger te zien, die wanhopig de dreigende sfeer tijdens het concert probeert te doorbreken.
In navolging van de Beatles starten de Stones een eigen platenlabel Rolling Stones Records, dat bekend wordt met het 'tong logo'. Het label is bedoeld om eigen werk en dat van talentvolle andere artiesten uit te brengen. De Cubaanse band Kracker brengt een plaat uit op het label, evenals reggae artiest Peter Tosh. De opnamen die Brian Jones ooit maakte in Marokko van plaatselijke artiesten worden eveneens op het label uitgebracht. Distributieperikelen zorgen ervoor dat het eigen labeldebuut Sticky Fingers aanvankelijk moeizaam te verkrijgen is. De single Brown Sugar geeft de band weer eens een grote hit. De ballad Wild Horses komt alleen in de US en Japan op single uit. De oude platenmaatschappij Decca begint pesterig met het uitgeven van Stones materiaal op een aantal dubieuze lp’s. De eerste in die serie, Stone Age, heeft een hoes die wat lijkt op de door hen zelf afgekeurde hoes van Beggars Banquet. De Stones plaatsen een advertentie in het muziekblad NME waarin ze oproepen de plaat vooral niet te kopen.
Vanwege belastingperikelen met thuisland Engeland verhuizen leden van de band naar Zuid Frankrijk. Bill Wyman komt naast Willem Duys te wonen en de beide heren spelen regelmatig een partijtje tennis. Ook Jagger en Richard dalen neer in het Mediterrane klimaat en betrekken grote villa’s . Jagger manifesteert zich steeds meer als lid van de jetset en trouwt uiteindelijk met de dochter van een diplomaat uit Nigaracua. Toeren doet de band gelukkig wel en in 1970, 1971 en 1972 worden Engeland, het Europese en het Amerikaanse continent aangedaan. In de RAI in Amsterdam speelt de band voor 20.000 man en pingelt Stephen Stills op de piano een deuntje mee. Met name de Amerikaanse tour in 1972 wordt beschouwd als een van de betere; Stevie Wonder verzorgt het voorprogramma en zingt af en toe mee met Mick.
Illegale opnamen van concerten zijn op vinyl te vinden; de bootleg heeft zijn intrede gedaan. De kwaliteit varieert van belabberde publieksopnamen tot sublieme soundboard. In de tuin van Keith Richard wordt de mobile opname studio van de band geparkeerd en beginnen de opnamen voor Exile on Main Street. De kelders van villa Nellcôte zijn dermate vochtig dat na ieder nummer de gitaren opnieuw gestemd moeten worden. De dubbel LP Exile on Main Street levert Tumbling Dice als hit in een wereldwijde release. In Amerika volgen de singles Happy en All down the line.
Op 18 januari spelen de Stones een benefietconcert voor de slachtoffers van een aardbeving in Nicaragua. Bianca Jagger komt uit Managua en heeft waarschijnlijk echtgenoot Mick gepaaid voor dit optreden, dat plaatsvindt in Los Angeles. Taylor speelt het complete voorprogramma met Billy preston mee. In 1973 doen de Stones opnieuw Nederland aan in een uitgebreide Europese tournee bij de release van de LP Goat’s Head Soup met de grote hit Angie. In de Wisseloord studio’s in Hilversum zingt Jagger een coupletje van Starfucker a.k.a. Star Star opnieuw in, op verzoek van de platenbazen uit de VS. Die vrezen processen als de naam van Steve McQueen in de song wordt genoemd, geassocieerd met fellatio. Anno 2009 duikt het gewraakte zinnetje in gecensureerde vorm wederom op in de Polydor remaster van Goats Head Soup. Ahoy in Rotterdam verkoopt moeiteloos twee keer uit en het publiek is getuige van het bum dansje dat Jagger en Billy preston op het podium uitvoeren. De setlist is een mengeling van oud en nieuw werk uit de jaren 69-72.Labelgenoot Kracker staat in het voorprogramma. Op 19 oktober 1973 sluit de band de Europese tour af in Berlijn. Wat dan nog niemand weet is dat hit het laatste optreden van gitarist Mick Taylor met de groep zal zijn. Het is nooit duidelijk geworden wat de uiteindelijke reden van zijn vertrek is geweest. Veel fans rouwden om zijn vertrek aangezien de Stones met hem een sterke periode hadden meegemaakt, zowel live als in de studio. Taylor zocht zijn heil bij ex-Cream bassist Jack Bruce en avant-garde pianiste Carla Bley; hetzij dat hij het ook daar niet lang uithield.
Rod Stewart was niet erg blij dat Keith Richard leentjebuur ging spelen en gitarist Ron Wood als vervanger van Taylor benaderde. Wood had al in verschillende bands gespeeld; o.a. Birds, Jeff Beck en Faces en was met Stewart in feite de zelfde twee-eenheid als Jagger-Richard. Hij is een formidabel slide-gitarist en toont met name op Stewart’s Every Picture Tells A Story zijn kunnen. Met Wood als gast op het titelnummer komt in oktober 1974 It’s Only Rock ’n’ Roll uit. Jagger zingt het met de nodige zelfspot en in de videoclip speelt een vrolijke band in een reusachtige plastic bol die langzaam gevuld wordt met zeepbellen. De hoes van de LP is getekend door de Belg Guy Peellaert en laat de band zien omringd door een groot aantal vrouwelijke aanbidders.
Ron Wood durft nog niet echt een keuze te maken en de zoektocht naar een nieuwe gitarist begint in de vorm van een aantal sessies. Clapton is ooit al eens gevraagd, maar die zegt wijselijk nee. Nils Lofgren (rin, Crazy Horse) wil zelf heel graag maar is nooit een serieuze kandidaat. Harvey Mandel (Canned Heat) en Wayne Perkins passeren de revue, maar zijn te Amerikaans. Uit het thuisland Engeland borrelen nog de namen op van Steve Marriott (Small Faces, Humble Pie) en Peter Frampton(The Herd, Humble Pie). In Rotterdam draaft Jeff Beck op voor opnamen; de band oefent in De Doelen, maar Beck schuift onder de kamerdeur van Jagger een briefje dat hij er toch maar van af ziet. Later beweert hij alleen al de gedachte een Rolling Stone te zijn hem de koude rillingen bezorgd. Als de pers uiteindelijk lekt dat Ron Wood de nieuwe Stone is ontsteekt Rod Stewart in woede. Het zal jarenlang duren voor Stewart en Jagger weer met elkaar praten. De keuze van Wood is in de Engelse pers omstreden. Ze vinden hem qua stijl te veel op Richard lijken en kijken met weemoed terug naar de periode met Taylor. Wood begint zelf enthousiast aan zijn job als de jongste Stone en krijgt zelf credit op de nieuw te verschijnen LP Black ’n Blue. De plaat lijkt een nieuwe generatie fans aan te boren; een generatie die niet bekend is met het oude werk en fris tegen de muziek aankijkt. Fool to Cry wordt wereldwijd een hit en Hot Stuff verschijnt op single in de US. Memory Hotel wordt vele jaren later een publieksfavoriet.
De Europese toer brengt de Stones deze keer in het Zuiderpark in Den Haag, waar Hell’s Angels zorgen voor een onrustige sfeer. Meters, Robin Trower en Kokomo verzorgen het voorprogramma. Billy Preston mag zijn Outta Space en Nothing From Nothing spelen in een setlijst die verder geen verrassingen herbergt.
In 1977 wordt Keith Richard in Toronto gearresteerd met heroïne op zak. Hij wordt veroordeeld tot het spelen van een benefiet concert voor blinden. Daartoe formeert hij de New Barbarians, een gelegenheidsgroep met Stanley Clarke (Chick Corea), Ian McLagen (Faces), Ron Wood en Zigaboo Modeliste (Meters). Het illustere combo speelt twee concerten in Canada en toert daarna nog eens door de VS. De dubbele live LP Love You Live is de weerslag van de Amerikaanse tour. Andy Warhol ontwerpt de hoes en kant drie is verreweg het leukste met nummers van het intieme El Mocambo concert.
In Engeland is de punk inmiddels tot uitbarsting gekomen en de oude garde heeft het moeilijk. Het antwoord van de Stones komt met Respectable op Some Girls in 1987. Weliswaar geen punk, maar het laat horen dat de energie nog niet uit de band verdwenen is. Grote klapper is van de plaat is echter Miss You, waar de Stones nadrukkelijk flirten met de disco. Op rose vinyl verschijnt de single op het dan populaire 12 inch formaat. Draaiend op 45 toeren geeft deze snelheid net even de kwaliteitsboost, die het nummer populair maken in de discotheken. De oude fans zijn dan al lang afgehaakt; in de jaren daarna wordt die groep groter als Emotional Rescue (1980) en Tattoo You (1981) verschijnen. Het zijn weinig verheffende platen en het wordt stil in Stonesland. De zoveelste onvermijdelijke live plaat ‘Still life’ komt uit in 1982, gevolgd door Undercover in 1983. In 1984 verrast het audiofiele MFSL label liefhebbers met een gelimiteerde box, die de LP’s tot en met Hot Rocks in hifi kwaliteit bevat. 10.000 exemplaren worden er geperst, genummerd en gefabriceerd in Japan en de USA. Ze behoren tot de dag van vandaag nog steeds tot een gezocht verzamelobject. Daarna is het een hele tijd stil. De band sluit een nieuwe distributiedeal met CBS/ Columbia.
De compact disc is ontwikkeld en in Japan verschijnen de eerste Stones CD’s. In de pers circuleren verhalen over ruzie tussen Richard en Jagger en voor het eerst in hun lange bestaan dreigt de groep uit elkaar te vallen. Niemand gelooft dat er ooit nog nieuw werk zal uitkomen, totdat Dirty Work (1968) in de winkel ligt. Op CD wel te verstaan, met de LP in zijn kielzog.
Een moderne producer, Steve Lillywhite moet de kar trekken en hij neemt echtgenote Kirsty Maccoll mee voor de achtergrondvocalen. Het baat niets, Dirty Work zal in de annalen verdwijnen als de slechtste Stonesplaat ooit. Richard, Watts en Wood zijn de enigen die zich op sessies laten zien. Mick is frequent afwezig en zingt zijn partijen ergens anders in. De enige hit van de plaat, Harlem Shuffle is een cover; een sixties hit van Bob & Earl. Tot overmaat van ramp geeft Bill Wyman steeds vaker aan geen Stone meer te willen zijn. Soloplaten van bandleden verschijnen en Jagger, Richard en zelfs Watts toeren om hun eigen producten te promoten.Als pianist Ian Stewart ook nog eens overlijdt op 12 december 1985 zijn de Stones de man kwijt die hen allen na aan het hart lag.
Het duurt tot in 1988 dat de plooien recht gestreken worden en er een basis gelegd kan worden voor de voortzetting van The Greatest Rock’n’Roll Band In The World. Het songwriting duo sluit zichzelf op in Barbados en het resultaat is Steel Wheels (1989), een album dat zowaar enigszins weet te bekoren. Enkele sterke songs staan erop: de singles Rock And A Hard Place; Mixed Emotions; en Terrifying rocken in de beste Stones-traditie. CBS Nederland mag Sad,Sad, Sad nog op single uitbrengen. Alle deze singles verschijnen op 7’’ en 12’’ vinyl , single- en maxi-cd en het kortlevende medium de cassette-single. Continental Drift wordt opgenomen in Marokko met de Master Musicians van Jou Jouka; een groep muzikanten die ooit opgenomen waren door Brian Jones en uitgebracht op Rolling Stones Records.
De Steel Wheels toer brengt de Stones in Nederland; deze keer is de Kuip in Rotterdam aan de beurt. De weerslag van deze tour is terug te vinden op Flashpoint; een live album dat wordt opgeleukt met twee nieuwe studiocomposities, namelijk Highwire en Sexdrive.Voor de rest is de plaat een aaneenschakeling van het bekende live werk; als rariteit is Little Red Rooster van stal gehaald. De geluidstechnici halen een grapje uit en plakken de stem van het meisje dat op Ya-Ya’s Mick Jagger toeroept tussen de nummers (‘paint it black, you devil’).
De grote domper is in 1993 het bericht dat Bill Wyman de band verlaat na 30 jaar hondstrouwe dienst. Wyman is de man die altijd onzichtbaar bleef, maar het onmiskenbare fundament van de Stones met zijn baspartijen legde. Bill voelde zich al langer miskend en vond met name zijn contact met Jagger geen waarde meer hebben. Richard smeekte Wyman op zijn knieën om toch vooral te blijven maar Bill bleef bij zijn besluit en begon het hobbyclubje The Rhythm Kings. De zoektocht naar een nieuwe bassist verliep via Doug Wimbish (Living Colour) naar Darryll Jones. Deze sessiemuzikant had ooit al eens bij Miles Davis gespeeld en Charlie was uiteindelijk degene die mocht kiezen. Op huurbasis speelt Jones mee en Watts is verrukt. Hij noemt het spel een degelijke fundering voor de muziek; net wat ze nodig hebben. Op Voodoo Lounge uit 1994 speelt hij voor het eerst op een studioalbum mee. Producer Don Was haalt het maximum uit de muzikanten en het album verkoopt vijf miljoen exemplaren in korte tijd.
Foto: recente foto Rolling Stones
Op Stripped (1995) kiezen de Stones voor een andere benadering. De band houdt een aantal songs kritisch tegen het licht en stript ze letterlijk tot op het bot. Zo vinden we The Spider And The Fly en Sweet Virginia terug op een album, dat gesierd wordt met een hoesfoto van Anton Corbijn gemaakt in de kelders van Paradiso in Amsterdam. De band geeft daar twee waanzinnige concerten voor een beperkt publiek. Op het Museumplein is op een groot beeldscherm te zien dat de band na een zenuwachtig begin tot grote hoogte groeit. Als tussendoortje brengt ABKCO in 1996 Rock And Roll Circus uit op CD en DVD. De in 1968 opgenomen special is al die tijd op de plank blijven liggen, omdat de band vond dat ze van de mat werden gespeeld door The Who.
De afwisseling van toeren en een plaat maken bevalt blijkbaar goed want in 1996 verschijnt Bridges To Babylon, opnieuw gevolgd door een reeks optredens en weer een live album: No Security (1998). Eerstgenoemde kent twee grote publieksfavorieten: Out Of Control en Saint Of Me, die beiden eveneens als single verkrijgbaar zijn. Op No Security (1998) wordt gekozen voor de minder bekende nummers en zo vinden we Tai Mahal’s Corrina en Marianne Faithfull’s Sister Morphine terug op dit verder weinig memorabele werk.
Dan is het een hele tijd stil en pas in 2004 verschijnt opnieuw een live album, Live Licks en voor het eerst verschijnt een Stones album niet op vinyl. Al snel is er in 2005 het nieuwe studio album A Bigger Bang, later dat jaar gevolgd door de Starbucks verzamelaar Rarities. En, zoals de naam zegt, een aantal moeilijk vindbare nummers uit de afgelopen 30 jaar zijn samengeraapt op deze verzamelaar; waar in de hoesfoto op gênante wijze Bill Wyman’s afbeelding is weg geretoucheerd. Eind 2006 geeft de band twee concerten in het Beacon Theatre (New York), die gefilmd worden door Martin Scorsese. De weerslag daarvan is te vinden op Shine A light, dat in 2008 bij Polydor uitkomt op CD, DVD, Blu-Ray en zelfs USB. Muzikale gasten op het album zijn Christina Aguilera, Buddy Guy en Jack White.
Polydor tekent in 2009 een contract met de band over de distributie van het complete Stones oeuvre. Een jaar later is het stil rond The Greatest Rock’n’Roll Band In The World. Hier en daar steken wat geruchten de kop op over een tour en een album. Het is 2010; de Rolling Stones bestaan nog steeds. De band bestaat uit de drie oorspronkelijke leden Charlie Watts, Keith Richard en Mick Jagger en het jonkie Ron Wood. Voor hoelang nog?
Aftermath (1966) Aftermath uit 1966 was de eerste Stones plaat met louter Jagger/ Richard composities. Het was de eerste LP die volledig in stereo uitkwam. Het geluid kwam van extreem links en rechts de huiskamer in, tenminste als je er een stereo op nahield. Aangezien mono in 1966 de norm was, lag de plaat in twee configuraties in de winkel. De thematiek is de onderwerping van de vrouw aan de man, zij moet aan al zijn behoeften voldoen. Als ze er niet is, mist hij haar enorm. Pillen zorgen ervoor dat ze op de been blijft en klaar staat voor hem als hij thuis komt.
Veertien liedjes staan op de UK- versie (slechts elf op de US-LP) en geen enkele single-track! Het Amerikaanse publiek wil echter absoluut een single zien op de LP en zo opent daar de plaat met Paint It Black. Met alleskunner Brian Jones op sitar is het intro van het nummer de aanloop naar de donkere kant van het schrijversduo Mick & Keef. In de mono-mix knalt de single uit vele luidsprekerdeksels en neuriet Jagger het 3.45 min. durende nummer naar een te vroeg einde. Aftermath bracht verder het elf minuten durende coïtus nummer Goin’ Home, waar een kreunende Jagger nog net niet zijn zaad in de microfoon spuit. Het mooie van de Amerikaanse uitgave op LP/CD is dat Goin’ Home de afsluiter is, zo hoort het ook met een lang nummer. Sinds 2002 is de oorspronkelijke UK-versie met 14 nummers gelukkig weer op CD te krijgen.Aftermath bevestigt voor het eerst de status van het schrijversduo Jagger/Richard en is een voorbode tot veel meer moois.
Beggars Banquet (1968)
Het album Beggars Banquet uit 1968 betekent voor de Stones de terugkeer naar de muziek die ooit de inspiratie was om een band te beginnen. De smeltkroes van rhythm ’n blues, rock en soul maken de plaat ot het beste wat de Stones ooit gedaan hebben in de studio. Weg waren de psychedelische invloeden van het jaar daarvoor; verlost waren ze van de processen en arrestaties voor vermeend drugbezit of gebruik. De prijs die betaald werd was hoog; bandlid Brian Jones is een wrak en gedevalueerd tot figurant en Richard moet vrijwel alle gitaarpartijen inspelen. Met producer Jimmy Miller begint de band in maart 1968 met de opnamen in de favoriete Olympic Studios in Londen. Beelden van sessies zijn te zien in de film One plus One van de Fransman Jean Luc Godard. Ze geven een impressie over de werkwijze van de Stones in de studio; werkend vanuit het concept van een nummer, soms niet meer dan een akkoord. Fascinerend is te zien hoe de langzame ballad Sympathy For The Devil uiteindelijk transformeert tot het nummer zoals wij dat nu kennen.
Naast pianist en roadie Ian Stewart is als externe muzikant alleen Nicky Hopkins structureel betrokken. Ook hij speelt piano en krijgt op de roomkleurige hoes van de LP terechte credits. Daarnaast maken ook Ry Cooder, Dave Mason, Rick Grech en Roger Chapman hier en daar hun opwachting. De meeste nummers komen op het uiteindelijke album terecht. Jumpin’ Jack Flash en Child Of The Moon komen uit op single en een aantal songs blijft op de plank liggen. Wat overblijft op de plaat zijn tien nummers, waarvan de bekendste nog vrijwel dagelijks op de radio te horen zijn: Sympathy For The Devil en Street Fighting Man. Eerstgenoemde staat voor zowat alles wat de Stones belichaamt; zes minuten lang geselt het eerste nummer op kant 1 het vinyl. Opzwepende conga’s en het intrigerende 'Ooh-Ooh' koortje maken samen met Richard’s messcherpe solo het nummer tot het definitieve Stones statement. Zwakke nummers kent de plaat niet. De thema’s zijn helder; verlatingsangst (No Expectations, Dear Doctor); maatschappelijke onrust (Salt Of The Earth, Street Fighting Man) en sex (Stray Cat Blues). Gedonder over de hoes vertraagt de release van de plaat een half jaar en brengt de relatie met platenmaatschappij Decca tot een dieptepunt. Het doet niets af aan de kwaliteit van het gebodene op het zwarte vinyl; beter zullen de Stones nooit zijn.
Let it Bleed (1969)
Als Let it bleed in 1969 uitkomt is oprichter en gitarist Brian Jones al dood en begraven. Zijn plaats is ingenomen door Mick Taylor, de jonge gitarist die bij John Mayall’s Bluesbreakers is weg geplukt en de komende jaren voor een deel de sound van de Stones bepaalt met zijn melodieuze, vloeiende spel. Taylor is een stilist en Richard roemt zijn technische kwaliteiten. Gimme Shelter is een zinderende opener, waarin Jagger een vocaal duet aangaat met Merry Clayton. De hoekige single Honky Tonk Women is getransformeerd tot country song en komt op de plaat tot leven als Country Honk. Opnieuw bevat de LP een geniaal epos en wel het verhaal van de beruchte Boston wurger, vervat in het naar een climax toewerkend Midnight Rambler. Live With Me is een bijtende stamper met Keith Richard op bas en verwoordt de niet aflatende vrouwenjacht van Jagger. Er is een begin gemaakt met de traditie om Richard op iedere plaat een nummertje te laten doen; in You Got The Silver is Richard kwetsbaar en daarmee op zijn best. You Can’t Always Get What You Want met het London Bach Choir is de perfecte afsluiter van een opnieuw perfecte plaat. Definitief wordt afscheid genomen van oprichter Brian Jones, die hier en daar nog zijn kunnen vertoont. THIS RECORD SHOULD BE PLAYED LOUD, staat er op het originele inlegvel van de LP; doen, dus!
Sticky Fingers (1971) Sticky Fingers is de eerste Stones plaat op het eigen label, Rolling Stones Records, dat bekend wordt door het opvallende tong logo. Andy Warhol ontwerpt de hoes en gebruikt één van zijn studiosterren voor de foto van de gevulde onderbroek achter de spijkerbroek met echte ritsluiting. De opnamen van de plaat dateren van verschillende sessies, sommige jaren terug, maar dat is aan de LP niet af te horen. Jagger en Richard hebben de gewoonte veel nummers onaf op de planken te laten liggen om ze later bij één of andere gelegenheid weer op te pakken. Sister Morphine is zo’n nummer, geschreven door Marianne Faithfull; al in 1969 opgenomen tijdens de Let It Bleed-sessies. Ry Cooder’s bloedstollende slide gitaar maakt het tot een hoogtepunt. Een ander hoogtepunt is de ballad Wild Horses, dat curieus genoeg eerder door de Flying Burrito Brothers werd opgenomen dan door de Stones zelf. In Can’t You Hear Me Knocking excelleert Mick Taylor, die later beweert dat het nummer nog veel langer was dan de 7.14 durende versie op de LP. Het is Taylor’s verdienste dat gedurende zijn bandlidmaatschap de Stones zelfs melodieus klonken, iets wat Richard eigenlijk niet kon verkroppen, want het plaatste hem in de schaduw van de jonge Brit. De riff van Brown Sugar is in ieder geval van Keith Richard, daar kan geen twijfel over bestaan. De open G-tuning die hij hanteert is door anderen vaak geprobeerd, maar nooit geëvenaard. Jagger bezingt met plezier zijn liefde voor bruine meisjes (‘brown sugar, how come you dance so good’). Saxofonist Bobby Keys soleert het nummer naar grote hoogte; het is nog altijd een publieksfavoriet bij concerten. Gitaren spelen ook een grote rol in Sway, een nummer waarin een gekwelde Jagger nauwelijks boven het electrische geweld uitkomt. Ondanks de diversiteit van de nummers; soul (I Got The Blues), country (Dead Flowers) en blues (You Gotta Move) naast de gebruikelijke Stones rocker Bitch gaat het album de geschiedenis in als een klassieker.
Exile on Main Street (1972) ‘A bunch of stoned musicians, trying to make a record’, zo kwalificeert gitarist Mick Taylor naderhand de tijd die hij als Rolling Stone meemaakte in de Zuidfranse villa Nellcôte. De Stones en hun gevolg zijn collectief neergestreken in Zuid Frankrijk, voornamelijk wegens belastingperikelen in thuisland Groot Brittannië en het management besluit dat het de juiste plek is voor de opvolger van het succesvolle Sticky Fingers. Onder de werktitel Tropical Disease werkt de groep aan een nieuw album in de kelder van de door Richard gehuurde villa en moet door de vochtigheid na ieder nummer opnieuw de gitaren stemmen. Buiten staat de Rolling Stones Mobile, een vrachtwagen volgestouwd met opname apparatuur. De sessies duren maanden, voortdurend onderbroken door allerlei oorzaken. Excessief drugsgebruik leidt tot hilarische en hachelijke momenten, voortreffelijk beschreven in Exile on Main St. van Robert Greenfield , die het allemaal als ooggetuige meemaakte. Het is Richard die zijn mede bandleden weken laat wachten door de kelder links te laten liggen en zich over te geven aan heroïnegebruik samen met zijn vriendin Anita Pallenberg. Jagger trouwt en verdwijnt voor een vakantie van een aantal weken. Later vertrekt hij opnieuw naar Parijs om zijn vrouw Bianca bij te staan bij de geboorte van hun kind. Engineer Andy Johns en producer Jimmy Miller zien het allemaal met lede ogen gebeuren , maar zijn niet in staat het tij te keren. Beiden raken in Nellcôte verslaafd aan de heroïne.
In de vele sessies die uiteindelijk volgen wordt de basis gelegd voor de 18 nummers tellende dubbel-LP. Blazers nemen een prominente plaats in op de nummers; Nicky Hopkins is opnieuw de begenadigd pianist en Jagger heeft altijd een paar donkere soul zangeressen achter de hand voor de koortjes en ander gerief. Dr. John hangt rond op de sessies en klaagt later dat hij geen credits op de hoes krijgt voor zijn bijdrage. Gram Parsons logeert tijden in de villa,speelt niet mee , maar beïnvloedt wel sterk nummers als Torn & Frayed en Sweet Virginia. De definitieve opnamen, overdubs en het mixen vinden plaats in de Los Angeles en Hollywood gedurende de periode december 1971- maart 1972, waarmee de mythe en de zogenaamde magie van Nellcôte wordt ontkracht. Voorloper van de plaat is de single Tumbling Dice, waarin alles op zijn plaats valt; de riff, het koortje, de blazers en Charlie Watts’ drumpartij. Op de B-kant neemt Jagger het op voor de zwarte activiste Angela Davis, die van moord beschuldigd in een Amerikaanse gevangenis zit. De dubbel-LP wordt aanvankelijk door de critici met gemengde gevoelens ontvangen.
De hoes ziet er prachtig uit en bij de eerste oplage van het vinyl zit een setje met 12 ansichten, die een kleine geschiedenis vertellen. Een bebaarde man fungeert op de fotosessie als stand-in voor Bill Wyman. Een veel gehoorde klacht over Exile is dat het beter een enkele LP had kunnen zijn. Ook Keith Richard merkt dan al op dat de waarde van de plaat pas later goed ingeschat kan worden. Recensent Lenny Kaye van het Amerikaanse blad Rolling Stone noemt het resultaat niet bevredigend, maar kan niet precies de vinger op de zere plek leggen. Hij roemt de snare drum van Watts die voor de juiste groove en drive zorgt . De o zo belangrijke ritmesectie van de band stuwt ieder nummer naar grote hoogten, al dan niet gesteund door super gitarist Mick Taylor. In de teksten rekent het schrijversduo Jagger/Richard definitief af met al hun bestaande obsessies. Vervreemding is het Leitmotiv; de plaat zal pas jaren later de status verwerven die hij tegenwoordig heeft, namelijk die van één van de beste rock albums ooit. Bruce Springsteen noemt het album een keerpunt in zijn leven. Nu luisterend klinkt Exile On Main Street als een massale geluidsmuur, waar je niet doorheen maar ook niet omheen kunt; het heeft alles in zich waar rock en de Stones voor staan.
Goed overzichtsartikel. Het begrip "monster" van mijn voorganger Frank begrijp ik niet helemaal. Dat mag hij mij nog eens verklaren. Een paar (feitelijke) foutjes heb ik toch nog gevonden, naast de typfoutjes, die bij zo'n groot artikel nou eenmaal onvermijdelijk zijn en er niet allemaal uitgehaald kunnen worden. "Dirty Work" was natuurlijk niet uit 1968, maar uit 1986. Het is zeer de vraag of de Flying Burrito Brothers eerder waren met het opnemen van hun versie van "Wild Horses". De Stones namen "Wild Horses", evenals "Brown Sugar" al op in 1969 in de beroemde (wat een toeval) Fame Studio's in Muscle Shoals, Alabama. De versie van de Flying Burrito Brothers verscheen pas in 1970 op "Burrito DeLuxe", hun tweede album. Het vertrek van Bill Wyman uit de Stones was al in 1991 nieuws. In 1993 soms officieel? Dit zijn de dingen die me het meest opvielen. Verder klopt de chronologie wel, geloof ik. Over de Stones zijn talloze biografieën verschenen, die nog "monstrueuzer" zijn dan dit verhaal. De geschiedenis van de Stones is, om met Oor te spreken, minstens zo groot als de groep zelf. Trek het nog eens na, lieve mensen.
Frank | 14-04-10 | 20:16
Wat een monster van een verhaal. Wel mooi beschreven hoor!
Laatste reacties