Essentieel: David Bowie
Bart Nijman | Achtergrondartikelen | 25 januari 2010
Reacties(2)
David Robert Jones, geboren in Brixton, Engeland op 8 januari 1947 en beter bekend als David Bowie, is een muzikant in hart en nieren. Zelden op de voorgrond, altijd met muziek bezig en met een discografie van maar liefst 25 studioalbums tussen 1967 (David Bowie) en 2003 (Reality) een productief heerschap, vooral als daar de bijna vijftig compilaties en een paar handen vol aan liveplaten bij opgeteld worden.Beroemd geworden als zanger, acteur (toneel en film), liedjesschrijver (ook voor vele anderen) en flamboyante verschijning die alle pieken en dalen van een getormenteerd artiest doormaakte, inclusief het ‘gebruikelijke’ ge- en misbruik van whiskey en drugs. Maar
The Thin White Duke staat nog, en is als persoon bijna net zo tijdloos en iconisch als zijn muziek dat is. Om het maar in platte verkoopcijfers uit te drukken:
Bowie’s werk ging wereldwijd meer dan 135 miljoen keer over de toonbank. En dan zwijgen we (als muziekportaal zijnde) nog over zijn lange lijst toneel- en filmrollen.
Bovenstaande is slechts een oppervlakkige inleiding, want Bowie is niet gekomen waar hij is met pakkende meezingers of aanstekelijke melodielijnen. De muziek van de Brit wordt gekenmerkt door innovatie, variatie, herontdekking en intellectuele diepgang. Schijnbaar moeiteloos schakelt de zanger gedurende zijn carrière over van experimenteel-psychedelische folk en glamrock naar commerciële rock, om daarna weer een haakse bocht te nemen in de richting van jungle, industrial en zelfs drum ’n bass. Daar tussenin zat er vaak een politieke of maatschappelijke lading in zijn teksten. Zo schreef hij een album rond George Orwell’s 1984 (
Diamond Dogs, 1974). Ook zijn er talloze verwijzingen naar buitenaardse zaken, al zouden die ook uitgelegd kunnen worden als het vertalen van drugservaringen naar tekst en muziek. Niet al Bowie’s keuzes bleken even succesvol, maar ze zetten wel een zeer persoonlijke handtekening onder het werk van de eigenwijze Brit, wiens typische stemgeluid immer herkenbaar bleef, ongeacht de stijl of het genre waarin die stem werd geplaatst.

David Bowie, superster sinds de late jaren zeventig, is zelf ook meerdere personen. Verklaarde zichzelf bisexueel, trok dat weer in, en maakte er later van dat hij een ‘heteroseksueel in de kast’ is. Hulde zich gedurende zijn loopbaan in vele kostuums en werd daar soms een compleet ander persoon van (
Ziggy Stardust,
The Thin White Duke). De ene keer was die verkleedtruc een kruiwagen om nieuwe artistieke lagen in zijn muziek, artwork en podiumpresentatie aan te (kunnen) brengen, bij een volgende gelegenheid kon hij zijn zware drugsgebruik of vermeende gedweep met het Nazisme in de schoenen van een alter ego schuiven. Tenslotte bespeelt Bowie letterlijk tientallen soorten instrumenten, van elektrische en akoestische gitaar en piano tot saxofoon, xylofoon, harmonica en drums. De optelsom geeft een summiere inkijk in het eindeloos creatieve brein van een man die al zolang hij muziek maakt onnavolgbaar is.
De buitenwereld krijgt buiten zijn muziek niet veel meer inzicht in wie David Bowie is dan door de uitspraken die hij doet, maar die hij later weer net zo makkelijk intrekt of negeert. Wie Bowie bestudeert, ontkomt niet aan een welhaast zweverige beschrijving van een mens die onderhuids méér is dan ‘slechts een man’. Bowie is een man, een vrouw, een kind, een artiest, een predikant, een vernieuwer en een wegbereider die boven normale stervelingen lijkt te staan en – daarom – godzijdank altijd zijn eigen creatieve plan wist en weet te trekken. Muzikaal gezien zou de Duke als hogere macht gezien kunnen worden, wiens invloed op ‘het gewone volk’ overgebracht wordt in de vorm van klanken, teksten, beelden, bewegingen en geluiden: muziek in al haar beeldende facetten.
Gelukkig is Bowie ondanks die bijzondere kwaliteiten geen egomaan. Hij nam talloze covers op van bands en artiesten die hij als voorbeelden of invloeden beschouwt, maar eert ook verschillende contemporaire artiesten met covers, teksten of productiewerk op de achtergrond. Gedurende zijn carrière werkte hij met bijzonder veel mensen samen, variërend van
Iggy Pop tot
Lou Reed en van
Queen tot
Mick Jagger, om een paar van de bekendsten te noemen.
Op zijn lange lijst covers staat werk van onder andere
The Beatles,
The Rolling Stones,
The Who,
Pixies,
Placebo,
Chuck Berry,
King Cole,
Pink Floyd,
George Harrison,
The Velvet Underground en
Neil Young. In 1973 verscheen zelfs al een compleet album met covers: Pin Ups. Na de zweverige beschrijving van Bowie in de vorige alinea, kan dit gelezen worden als zijn ‘menselijke’ kant, waarin hij als collega, producent, tekstschrijver, achtergrondmuzikant en promotor talloze bands en artiesten geëerd, gesteund en geholpen. Om één simpel doch opvallend voorbeeld te noemen: Bowie’s stem is te horen op twee nummers van het album
Anywhere I Lay My Head (
Tom Waits-covers, 2008) van actrice
Scarlett Johansson.

Bowie is in 1992 getrouwd met (voormalig) model Iman, met wie hij een dochter heeft: Alexandria Zahra Jones, roepnaam Lexi, geboren in 2000. Uit zijn eerste huwelijk, met Angela Bowie, heeft hij een zoon die ze in 1971 Zowie noemden, maar die tegenwoordig voluit Duncan Zowie Haywood Jones heet. David Bowie woont beurtelings in London en Manhattan, na van 1976 tot 1998 in Zwitserland gewoond te hebben. In een door de BBC samengestelde lijst van 100 Greatest Britons prijkt zijn naam op de 29e plaats, als derde muzikant na
John Lennon (8e plaats) en Sir
Paul McCartney (19). Nog een feitje: in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, heeft Bowie géén verschillend gekleurde ogen. De pupil van zijn linkeroog is sinds hij er ooit een vuistslag op kreeg (en door de operaties die daar op volgden) vergroot, waardoor Bowie naar eigen zeggen met dat oog alles enkel nog in bruintinten kan zien.
Discografie
Aangezien er onmogelijk één lijn in Bowie’s werk is aan te brengen, volgt hieronder een summiere discografie van zijn studioplaten, met een korte toelichting per album. Wie zich dieper in de artiest (en de mens) Bowie wil verdiepen – en als één zanger het waard is, is hij het – zou zich kunnen wenden tot één van de vele boeken die er over hem verschenen zijn. Enkele titels: 'The Complete David Bowie' (David Pegg, 2004), 'David Bowie' (Dave Thompson, 1989) en de meest recentie: 'Bowie. A Biography' door Marc Spitz (2009).
David Bowie (1967)
Debuutalbum met pop en folk als rode draad. Wist als geheel weinig potten te breken, mede door de uiteenlopen invloeden. Alles van
Chuck Berry en
Elvis Presley tot
Ray Davies (
The Kinks) en
Syd Barrett (
Pink Floyd) schijnt invloed op Bowie gehad te hebben, die toen zijn solodebuut uit kwam al wat muzikale ervaring in andere bands had opgedaan.
Rubber Band was de eerste single van het album, maar die ‘deed niks’, zoals dat heet. Het album telde 14 liedjes, maar later dit jaar verschijnt er een deluxe dubbelaar van het album, met maar liefst 53 nummers er op.
- Sleuteltrack: Love You Till Tuesday
Space Oddity (1969)
Verscheen oorspronkelijk onder de titels
David Bowie (UK) en
Man of Words/
Man of Music (US), maar kreeg in 1972 alsnog zijn huidige titel. Muzikaal bevat het album een mix van folkrock en progressive rock, waarbij de contouren van Bowie’s ‘signature genre’ glamrock al langzaam zichtbaar worden. Tekstueel barst het album van verwijzingen naar Bowie’s multi-persoonlijkheid, pleidooien voor (menselijke) autonomie, Buddhisme en een enkele sneer naar bepaalde groepen in de samenleving, waaronder hippies.
Space Oddity is een verwijzing naar de eerste maanlanding, maar kan ook uitgelegd worden als het relaas van een junkie in een neerwaartse spiraal.
Cygnet Committee staat bekend als Bowie’s eerste echte meesterwerk dat tevens de lijnen voor zijn muzikele toekomst uitzet.
- Sleuteltracks: Space Oddity, Cygnet Committee
The Man Who Sold The World (1970)
Dit is waar volgens critici het verhaal-Bowie écht begint. Het album verkent het rockgenre en zelfs de heavy metal en legt daarmee de fundamenten voor opvolger
Ziggy Stardust. Vergelijkingen met
Led Zeppelin en
Black Sabbath vallen Bowie ten deel als het album verschijnt, maar mede dankzij de albumhoes (Bowie in een jurk) heeft het album een (androgyne) Bowie-uitstraling. Er verschenen geen singles van het album, maar de titelsong is, mede door een sterke unplugged-cover van
Nirvana, in het collectieve geheugen vastgepind.
- Sleuteltrack: The Man Who Sold The World
Hunky Dory (1971)
Bowie doet op dit album een stap terug in de richting van pop en glamrock en levert daarmee één van zijn beste platen af, al kwam het commerciële succes pas na opvolger Ziggy Stardust. Desalniettemin bevat dit album behalve een paar Bowie-klassiekers als
Changes,
Oh! You Pretty Things en
Life on Mars? ook een aantal muzikale bedankjes in de richting van zijn muzikale en artistieke invloeden:
Andy Warhol,
Song For Bob Dylan en het op de stijl van
Velvet Underground gebaseerde
Queen Bitch. Bij elkaar opgeteld spreken uit de nummers op het album duidelijke – voor zover navolgbare – ideeën van Bowie over zijn muziek en richting. Het album wordt derhalve als een soort bouwtekening voor zijn verdere carrière gezien.
- Sleuteltracks:
Changes,
Life on Mars? (eigenlijk het hele album)
The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders From Mars (1972)
Bowie’s grote doorbraak. Een conceptalbum dat draait om het verhaal van Ziggy Stardust, een buitenaards wezen dat in de vorm van een glamoreuze en stevig drugs gebruikende rockster probeert om de mensheid wat vreugde te bieden in de laatste vijf jaar van hun bestaan. Zijn boodschap van love & peace gaat echter verloren omdat Ziggy ten onder gaat aan zijn eigen levensstijl en door de druk van zijn fans. Voor de liveshows kroop Bowie in de huid van Ziggy, maar ook buiten die shows vertoonde hij zich soms als de ‘Starman’. De Spiders From Mars zijn de drie leden van Bowie’s band, met wie hij later ook nog samen zal werken. Het was de bedoeling dat er een film zou komen van de plaat, maar verder dan een concertfilm is het nooit gekomen. Desalniettemin is dit album een legende op zichzelf geworden, en een standaard onderdeel van heel veel platenkasten.
- Sleuteltrack: Starman
Aladdin Sane (1973)
Misschien wel de beroemdste albumcover uit de Bowie-catalogus: De zanger, met ontbloot bovenlijf, rood haar en gekleurde bliksemschichten op zijn gezicht. Inhoudelijk werd het na Ziggy Stardust met gemengde gevoelens onthaald. Bowie zelf noemt dit album ‘
Ziggy goes to America’, omdat alle nummers geschreven zijn tijdens de tour rond die plaat. Het tempo ligt hoger en harder, wat de plaat – vreemd genoeg – toegankelijker maakt dan zijn illustere voorganger. Exemplarisch daarvoor is de snelle, felle cover van
Rollings Stones-nummer
Let’s Spend the Night Together.
- Sleuteltrack: The Jean Genie
Pin Ups (1973)
Een album vol covers, van
Syd Barrett tot
The Who en van
Ray Davies tot
Billy Boy Arnold, dat Bowie’s eerbetoon aan zijn muzikale invloeden voor moet stellen. De Bowie-versies zijn echter wel ‘geglamineerd’ door Bowie, die er in alle 12 gevallen een interessante eigen draai aan weet te geven. Of ‘interessant’ gelijk staat aan ‘goed’, is aan de luisteraar. Op de albumhoes staat Bowie met supermodel Twiggy.
- Sleuteltrack: Sorrow
Diamond Dogs (1974)
Dit gedeeltelijk in Hilversum opgenomen album verkent de ideeën uit George Orwells beroemde boek 1984, waar Bowie een eigen glam-versie van een post-apocalyptische wereld overheen gelegd heeft. De zanger wilde een toneelstuk rond deze thema’s maken, maar liet dat plan varen toen hij de rechten van 1984 niet kreeg. Het album neemt af en toe hoorbaar afscheid van het glamrockgenre en kondigt Bowie’s ‘Amerikaanse’ plastic soul-invloed op zijn komende albums aan. Ondanks het donkere thema en de tweespalt in muzikale thema’s, werd het album een succes.
- Sleuteltrack: Rebel Rebel
Young Americans (1975)
Bowie slaat een nieuwe weg in, richting soul en funk. Op zich niet onverdienstelijk, mede omdat het album een eerste nummer 1-hit opleverde voor The Thin White Duke:
Fame, geschreven met
John Lennon, die ook op het album te horen is. Ook Luther Vandross droeg bij in tekst en geluid. Als geheel klinkt het album beduidend lichtvoetiger en toegankelijker dan de recente voorgangers, maar dat is niet per sé een compliment. Bowie’s Engelse fans namen hem deze stam althans niet direct in dank af.
- Sleuteltrack: Fame
Station to Station (1976)
Productief én creatief blijft Bowie in ieder geval, want de nieuwe muzikale weg is amper ingeslagen met Young Americans, of er ligt al een tweede album in de winkel. Hetzelfde idee als op de voorganger, zij het dat er wat meer rock overheen ligt. Duitse ‘Krautrock’, welteverstaan. Dus met synthesizers en elektronische invloeden à la
Kraftwerk. Ondanks dat Bowie in de periode rond Station to Station een mentaal wrak is (hij houdt zich bezig met occulte zaken, heeft waanideeën en gebruikt volgens de overlevering enorme hoeveelheden cocaïne), is het album weliswaar somber, maar toegankelijk. Muzikaal kan de luisteraar het zo moeilijk maken als hij of zij wil door óf te focussen op de rechtlijnigheid die er in de rockfundamenten van de plaat zit, óf door zich te richten op de onderlaag van teksten en bijgeluiden.
- Sleuteltrack: Wild Is The Wind
Low (1977)
Bowie woont inmiddels in West-Berlijn, waar hij
Low opneemt na eerst vriend
Iggy Pop geholpen te hebben met diens albums
The Idiot en
Lust For Life. Op Low is de invloed van
Kraftwerk nog beter te horen dan op Station to Station, mede omdat de Bowieaanse glamrock plaats maakt voor uitbreiding van de experimentele electronische rock. Bowie kreeg daarnaast hulp van
Roxy Music-keyboardspeler
Brian Eno, wat naast korte, directe liedjes op kant 1 leidde tot langere, veelal instrumentale nummers op kant 2. Als geheel is de plaat introvert en donker. Een geintje ter compensatie:
Nick Lowe noemde zijn eerstvolgende plaat die na Low uitkwam ‘
Bowi’ (1977)
- Sleuteltrack: A New Career in a New Town
"Heroes" (1977)
Deel twee in wat bekend werd als de ‘Berlijn Trilogie’ gaat muzikaal op dezelfde voet verder als Low. De albumhoes laat een in het zwart geklede Bowie zien die een strakke, bijna roboteske houding aanneemt met zijn vlakke linkerhand in de lucht. Het valt meteen op als iets ‘Duits’ en is daarmee tekenend voor deze periode in Bowie’s carrière. Ondanks het sombere, soms dreinende timbre op de plaat, werd het album na het nog donkerdere Low onthaald als ‘gepassioneerd en positief’. Dat zegt vooral veel over de dieptes op Low, want zo vrolijk is “Heroes” niet.
- Sleuteltrack: Heroes
Lodger (1979)
Deel drie in de Berlijnse triptiek wordt tegenwoordig genoemd als één van Bowie’s meest onderschatte platen. Langzaam wegbuigend van de Krautrock van de twee voorgangers, zoekt Lodger het meer in New Wave en wereldmuziek. Reizen en kritiek op de (westerse) wereld vormen de rode draden op het album, dat verder ingaat op ver uiteen liggende onderwerpen als een mogelijke nucleaire oorlog en een verkenning van de mentaliteit van een man die zijn vrouw slaat. De uptempo liedjes en de ‘open’ klanken op de plaat zorgen er echter wel voor dat je wat moet zoeken naar de duistere thema’s
- Sleuteltrack: Boys Keep Swinging
Scary Monsters (And Super Creeps) (1980)
De wereldmuziek van Lodger is bij de deur achtergebleven en heeft plaats gemaakt voor post-punk. De New Wave mocht wel blijven. Ook Eno is weg, en al het schrijfwerk op deze plaat komt op naam van Bowie (
Tom Verlaine-cover
Kingdom Come uitgezonderd). Het album wordt juichend ontvangen als zijnde veel toegankelijker dan de Berlijn Trilogie. Desalniettemin zijn de wereldbeelden van Bowie nog rauwer geworden: “
We know Major Tom’s a junkie.” Wat de plaat echter – volgens de critici – beter maakt dan de voorgangers, is de felheid waarmee Bowie zijn gedachten op de luisteraar afvuurt. De muziek is onontkoombaar, de plaat als geheel wekt een veeleisende, haast dwingende indruk. En dat maakt hem inderdaad erg sterk.
- Sleuteltracks: Ashes to Ashes, Scary Monsters (and Super Creeps)
Let’s Dance (1983)
In weer een nieuwe muzikale wending richt Bowie zich weer op poprock, nu met dance en post-disco als begeleidende stijlen. Het levert een interessante, frisse plaat op die tevens drie Bowieklassiekers voortbrengt:
Modern Love,
China Girl en
Let’s Dance. In vergelijking met voorgaand werk (maar zonder daar afbreuk aan te willen doen) is deze plaat een hap frisse lucht.
- Sleuteltrack: Let’s Dance
Tonight (1984)
Pure poprock, deze plaat, en om die reden neergesabeld als zijnde ‘te makkelijk’. Nou valt er voor liefhebbers van Bowie’s donkere glam- en Krautrockwerk inderdaad weinig eer te behalen aan deze plaat, maar in zeker opzicht toont het ook zijn muzikale veelzijdigheid. Vergelijk het met Robert DeNiro in films: niet alleen in misdaadthrillers en maffiafilms weet hij ijzersterke rollen neer te zetten, hij kan zich ook ‘verlagen’ tot komedies zonder dat hij kwaliteit inlevert. Daarnaast zijn nummers als
Loving the Alien en
Beach Boys-cover
God Only Knows gewoon hele prettige nummers. Om over de geslaagde samenwerking met
Tina Turner op Tonight maar te zwijgen. Misschien niet ieders kopje thee, maar daarom nog geen slecht album.
- Sleuteltrack: Tonight
Never Let Me Down (1987)
“
It was such an awful album”, zegt Bowie hier zelf over. Goed tekstschrijfwerk, maar te commercieel en te vlak geproduceerd, vond hij ook. Waar hij er op Tonight nog mee weg kwam, is het op dit album inderdaad te veel van het goede.
- Sleuteltrack: Never Let Me Down
Tin Machine (1989) &
Tin Machine II (1991)
Bowie in een band met drie (soms vier) anderen. Hoe lang gaat dat goed? Het eerste album werd goed ontvangen maar heeft weinig eeuwigheidswaarde, het tweede album was nogal wisselvallig van kwaliteit. Er zijn ook eigenlijk geen memorabele liedjes uit deze hardrocksamenwerking voortgekomen. Na het tweede album weigerde het label (EMI) om een derde plaat uit te brengen terwijl Bowie op zijn beurt gefrustreerd raakte door de artistieke beperkingen van de druk om een nieuwe Let’s Dance te maken, alsmede door het werken als een band.
- Sleuteltrack: Baby Universal (Tin Machine II)
Black Tie White Noise (1993)
Op deze plaat keert Bowie terug naar een basis van rock en soul, aangevuld met electronische invloeden én zijn oude
Spiders From Mars-gitarst Mick Ronson. Het album is geïnspireerd op Bowie’s huwelijk met model Iman, een jaar eerder, en bevat zelfs een nummer dat
The Wedding heet. Als geheel vormt Black Tie White Noise de basis voor Bowie’s huidige geluid.
- Sleuteltrack: Jump They Say
1. Outside (1995)
Midden in een periode van dancemuziek (Europa) en grunge (VS), mengt Bowie die stijlen met industrial en experimental rock, gegoten in een conceptalbum dat zich afspeelt in 1999 en draait om de behandeling van kunst in een cybersamenleving. De bedoeling was om ook een 2. Contamination en 3. Afrikaan te maken, maar die albums zijn er vooralsnog niet gekomen. Het album werd goed ontvangen, maar de Outside Tour, waarin Bowie samenwerkte met
Nine Inch Nails, kreeg veel kritiek, vooral omdat NIN en Bowie bij ieder optreden even lang speelden en NIN qua stijl als band toch wel een eindje bij Bowie uit de buurt lag. NIN-voorman Trent Reznor is overigens goed bevriend met Bowie.
- Sleuteltrack: Hallo Spaceboy
Earthling (1997)
Eind 20e eeuw maakt Bowie het nog één keer heel erg bont door een drum ’n bass/techno/jungle-album te maken. Natuurlijk zitten er ook rockinvloeden in, maar dit is wel een muzikaal allegaartje geworden waar Bowie mogelijk een fanbase heeft aangeboord die voorheen nog nooit van de man gehoord had. Met 1. Outside ging hij die kant al wel op, maar Earthling maakt het punt pas echt duidelijk. Als project echter wel een geslaagde plaat, maar meer iets voor potentiële nieuwe fans dan voor oude Bowie-fans, zeker als die echt al wat ouder zijn en niet zo makkelijk volgen op de nieuwe muzikale wegen die Bowie maar blijft inslaan. Vooral als diezelfde Bowie de smaak van het remixen ook nog eens te pakken krijgt.
- Sleuteltracks: Little Wonder, I’m Afraid of Americans
‘Hours…’ (1999)
Ineens een rustpunt, voor Bowiebegrippen althans. Met ‘Hours…’ grijpt hij terug op de jaren ’70 en ondanks de ingetogen, persoonlijke toon van het album, blijft het als geheel allemaal niet zo goed hangen.
- Sleuteltrack: Seven
Heathen (2002)
Dit album is een geslaagdere terugkeer van Bowie naar zijn wortels. Ook een ingetogen album, maar herkenbaarder dan ‘Hours…’ Bowie experimenteert nauwelijks, maar schrijft en zingt gewoon liedjes. Met verve, want het werd wel eens tijd dat Bowie weer eens ouderwets tekeer geen over de huidige staat van de mensheid. Dit schrijven we zonder ironie: die donkere blik past namelijk gewoon bij David Bowie. Het album bevat ook weer eens covers, namelijk
Cactus (
Pixies),
I’ve Been Waiting for You (
Neil Young) en, de opvallendste,
I Took a Trip on a Gemini Spaceship van de
Legendary Stardust Cowboy – de artiest aan wie Ziggy Stardust zijn naam te danken heeft.
- Sleuteltrack: Slow Burn
Reality (2003)
Reality gaat over Bowie die zichzelf als ouder wordend persoon bekijkt, al dan niet met een kwinkslag. Volgens fans en critici is hem dat goed gelukt, want Bowie 2003 klinkt als Bowie begin jaren ’70 zonder dat je echter ooit het gevoel hebt naar een ‘ouwe rot’ aan het luisteren te zijn. Muzikaal past het album zich moeiteloos aan de tijd aan en waar Bowie zingt over ouder worden, klinkt het album anno 2010 nog steeds fris en nieuw. Oftewel: ook in 2003 wist Bowie iedereen muzikaal gezien nog voor te zijn in de tijd.
- Sleuteltrack: Never Get Old
Bekijk hieronder een clipje van
A Reality Tour uit 2004, het nummer
Heroes:
Laatste reacties